Interview met Gladys Zeevaarders

Tekst: Patricia van den Ende

Uit je werk spreekt een grote mate van bewondering en aandacht voor de natuur, en dan met name sporen in de natuur die terug te leiden zijn naar zowel de aan- als afwezigheid van de mens. Wat fascineert je daaraan het meest?

GZ: Mijn werk is een spiegeling van hoe wij ons, als mens, bewegen in de wereld en hoe wij de ruimtes om ons heen inrichten rondom onze behoeftes. Wij zijn ons nauwelijks bewust hoe snel we sporen achterlaten en daarmee onze plaats innemen in wat wij als natuur beschouwen. Het idee dat we ‘de natuur in gaan’ is in zekere zin een illusie: volledig ongerepte natuur is tegenwoordig uiterst zeldzaam. Zelfs gebieden die als wild of onaangetast worden ervaren, zijn vaak direct of indirect door menselijk handelen beïnvloed. Natuurlijk bestaan er nog uitzonderingen, zoals delen van oerbossen in Oost-Europa en andere afgelegen natuurgebieden wereldwijd, maar ook daar laat de mens steeds vaker zijn sporen na.

Juist die voortdurende wisselwerking tussen mens en natuur fascineert mij, evenals de dualiteit die zit in de onderlinge verhouding. De mens is onderdeel van de natuur, maar ziet zichzelf als eigenaar en vormer ervan. De mens bepaalt, vormt, grijpt in en stuurt. We vormen ons landschap ook om onszelf te beschermen tegen wat de natuur kan aanrichten, zoals bijvoorbeeld bij overstromingen van rivieren. Maar tegelijkertijd heeft alles in de natuur bestaansrecht en agency, wat ertoe leidt dat de natuur soms op verrassende wijze stukjes terug verovert.

Zo was er in Grevenbicht, waar ik woon, na de overstromingen van zomer 2021 een enorme verwoesting zichtbaar in het Maasgebied. De hele omgeving voor mens, dier en plant was veranderd. Tussen het puin, te midden van de ravage, overleefde de natuur echter en ontstonden bijzondere paddenstoelen en schimmels die een voedingsbodem hadden gevonden. Een ander voorbeeld is dat ik ooit stuitte op een door de mens aangelegd grindgat dat aan de natuur was ‘teruggegeven’. Bevers hadden de plek tot hun leefgebied gemaakt en op de natte boomstammen en houtblokken die in het water dreven hadden zich bloemvormige witte paddenstoelen ontwikkeld. Het leek wel een vijver met bloemen. Het is een beeld dat zich in mijn herinnering heeft vastgezet. Ik ben nog vaak teruggegaan, maar heb dat nooit meer waargenomen.

Dit markeerde een omslag in mijn werk. Waar ik eerder zocht naar vertraging om alledaagse dingen vast te leggen en onder de aandacht te brengen, werd nu ook de (verstoorde) relatie mens-natuur een belangrijk uitgangspunt. Door in mijn werk te focussen op die dualiteit hoop ik aan te zetten tot herkenning en bewustwording. Ik wil laten zien dat wij mensen anders met de natuur zouden kunnen omgaan, waarbij we haar niet uitsluitend benaderen in termen van nut of economische waarde. We zijn onderdeel van de natuur, niet haar eigenaar. Als we haar blijven behandelen zoals we nu doen, ondermijnen we uiteindelijk de voorwaarden voor onze eigen leefomgeving.

Jouw werk kent verschillende verschijningsvormen: van tekeningen, fotografie en grafische prints tot geweven textielwerken. Je onderzoek is mogelijk nog breder: van literatuur en muziek tot kleurpigmenten en niet langer toegepaste druktechnieken. Toch is het één geheel?

GZ: Ik zie mijn praktijk als een archief. Alles wat ik onderzoek en produceer is onderdeel van dit archief, dat ons later iets vertelt over hoe de wereld eruitzag. Het is de inspanning om de kracht van verwondering en bezieling voor de toekomst te bewaren en om herinneringen te vangen, door te geven en met anderen te delen.

Ik maak intuïtief afwegingen en keuzes voor de vertaling en de technieken die ik gebruik. Ik wil de technieken ook allemaal zelf kunnen uitvoeren. Zo wordt fotopolymeerprinten eigenlijk niet meer handmatig op deze grootte uitgevoerd; voor mij is het een experiment om dat toch voor elkaar te krijgen. Door de experimenten die ik al jarenlang uitvoer voel ik meestal al aan wat een beeld uiteindelijk moet gaan worden. Belangrijk is telkens dat het eindresultaat loskomt van de fotografie die aan de basis staat en dat het een autonoom werk wordt. Een geweven textielwerk heeft bijvoorbeeld een foto als uitgangspunt, maar in het weefproces kies ik ervoor welke details behouden blijven en welke delen van het beeld meer nadruk krijgen. In de uiteindelijke print Thaumazein is het originele beeld uitvergroot: in werkelijkheid was het een klein tafereel van een door de mens omgehakte boom waar 5 soorten paddenstoelen in symbiose op samenleefden. Ik wilde de zwammen aanweziger maken, als een soort onovertroffen verschijning bijna.

Het doet een beetje denken aan 17e-eeuwse Wonderkamers en het catalogiseren van bijzondere soorten.

GZ: Ja, ik heb ook een voorliefde voor dat soort boeken. Je zou mijn werk kunnen typeren als een ontdekkingsreis, maar dan juist in een omgeving die je elke dag ziet. Ik neem niets uit de natuur mee: ik verzamel niet fysiek. Wat ik vooral doe is vastleggen, registreren en zoeken naar een visuele verbinding. In het observeren ontstaat er verstilling en bezinning en kun je dat wat voor jou bekend is met andere ogen bekijken.

Het hoofdonderwerp in je presentatie Mein Freund, der Baum is de Brunssummerheide. Wat verbeeld je in jouw werk met betrekking tot deze plek?

GZ: De Brunssummerheide is nauw verbonden met herinneringen aan mijn jeugd. Ik kom er heel vaak, op verschillende momenten van de dag, en in verschillende seizoenen. Als je ergens lang verblijft of er vaak terugkomt ga je voorbij aan het vluchtige: opeens ga je dingen zien die je niet eerder waren opgevallen. Er is een verschil tussen kijken en echt zien. Het licht op de heide is bijzonder mooi. Als de zon ondergaat, wisselen de kleuren van oranje/rood naar paars, naar blauw/zwart. In mijn prints probeer ik dit met de drukgangen in verschillende kleuren uit te drukken.

Ik wandelde vaak met mijn hond op de heide en het was de plek waar ik naartoe ging voor troost toen hij overleed. Ik had net over het begrip ‘Waldeinsamkeit’ (het vredige gevoel van eenzaamheid en verbondenheid dat je ervaart als je helemaal alleen in het bos bent) gelezen en heb dit ook letterlijk ervaren: het delen van je verdriet of treurnis met de bomen leidt tot berusting. Zowel het gedicht als het muziekstuk dat ik schreef is daar een uitdrukking van.

Eigenlijk hoop ik dat iedereen vrienden wordt met een boom. Op het moment dat je bevriend kunt zijn met iets anders dan een mens, bijvoorbeeld een dier of een boom, er zorg voor draagt en er interacties mee aangaat, geeft dit waarde aan de relatie. Het overstijgt het idee dat de mens buiten en boven de rest van de natuur staat. En het verlies van een geliefd dier of het plotseling kappen van een prachtige boom in je omgeving, kun je dan ook diep voelen als een gemis. Tegelijkertijd leidt het stilstaan en heel bewust ervaren van onze leefwereld tot momenten van verwondering en het gevoel van verbondenheid.